Reactie WeLegal Network op de internetconsultatie Zelfstandigenwet

Samenvatting van onze verzoeken

1. Neem in de wet op dat het niet voldoen aan de veilige haven geen aanwijzing is voor een arbeidsovereenkomst (onderdeel 1).

2. Leg in het inkoopbeleid en de raamovereenkomsten van het Rijk vast dat de veilige haven geen toelatingseis is (onderdeel 1).

3. Stel het minimumbedrag voor voorzieningen gelijk aan de jaarpremie van de basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen bij een winst ter hoogte van het minimumloon plus € 700 voor aansprakelijkheid en laat een bedrijfsreserve, verplichte permanente opleiding en voorzieningen via de eigen vennootschap meetellen (onderdeel 2).

4. Tel bij werk via een intermediair de eindklant als opdrachtgever wanneer die de werkende selecteert en over voortzetting beslist, met ten hoogste twee opdrachtgevers via dezelfde intermediair (onderdeel 3).

5. Vul het telcriterium aan met een referteperiode van drie jaar en een tweede route: twee opdrachtgevers, een tarief van ten minste 2,5 maal het mediane uurloon in de beroepsgroep en ten hoogste 36 maanden bij één opdrachtgever (onderdeel 4, met wettekst).

6. Benoem in de toelichting de signalen waaruit achteraf blijkt dat de afgesproken vrijheid niet bestond (onderdeel 4).

7. Verduidelijk dat publiekrechtelijke mandaatregels niet afdoen aan de vrijheid om de arbeid vorm te geven (onderdeel 5).

8. Schrap de uitsluiting van vergoeding per uur (MvT, p. 55) en erken de risico's die een zelfstandige professional werkelijk draagt als aanwijzingen voor werken voor eigen rekening en risico (onderdeel 6).

9. Leg de telperiode eenduidig vast in de wettekst (onderdeel 7).

Inleiding

WeLegal Network is sinds 2006 een netwerk van zelfstandige juristen en advocaten met ongeveer 700 leden. Het netwerk draait om het onderling doorverwijzen van opdrachten met behoud van ieders zelfstandigheid. Bij doorverwijzing treedt WeLegal tegenover de opdrachtgever op als opdrachtnemer en in die rol houdt zij via aanbestedingen ook raamovereenkomsten met de Rijksoverheid voor de inzet van juristen. WeLegal-leden werken veel als interim-jurist, maar ook als adviseur of advocaat voor de overheid, het bedrijfsleven en de advocatuur.

WeLegal maakt deel uit van een groep ondernemingen waartoe ook een bemiddelaar en een detacheerder van juristen behoren. Wij reageren in deze consultatieronde namens de zelfstandige professionals in ons netwerk.

Uitgangspunt

Wij steunen het doel van het voorstel. Wie zich zelfstandige noemt maar feitelijk als werknemer werkt, hoort als zodanig behandeld te worden. Duidelijke regels vooraf helpen werkenden en opdrachtgevers. De vraag die wij beantwoorden is of het voorstel die duidelijkheid voor juridisch werk waarmaakt. Wij moeten constateren dat de veilige haven, zoals de memorie van toelichting (MvT) die uitwerkt, voor het grootste deel van de zelfstandige juristen dicht blijft om redenen die weinig zeggen over de vraag of zij in dienst van een ander werken.

De veilige haven bouwt voort op de maatstaf uit de arresten Deliveroo en Uber. Volgens de toelichting legt de zelfstandigentoets een deel van het extern ondernemerschap uit die rechtspraak wettelijk vast (MvT, p. 31). Of iemand in dienst van een ander werkt, volgt uit alle omstandigheden van het geval, gewogen aan de hand van de negen gezichtspunten uit Deliveroo en volgens Uber telt extern ondernemerschap daarbij op dezelfde wijze mee als de andere gezichtspunten, zonder rangorde (MvT, p. 10 en p. 25-26). De haven maakt een deel van die gezichtspunten tot harde criteria. Dat is legitiem omdat zekerheid vooraf harde criteria vraagt. Dan moeten die criteria wel de gezichtspunten weergeven die in de rechtspraak het zwaarst wegen. Via de toelichting wordt de wijze van beloning, één gezichtspunt naast acht andere, een zelfstandige uitsluitingsgrond (MvT, p. 55), terwijl de wettekst de duur van de werkzaamheden alleen indirect meet via het aantal opdrachtgevers. De hoogte van de beloning, die de rechtspraak uitdrukkelijk als gezichtspunt noemt, blijft buiten beschouwing.

Omdat de markt de haven naar verwachting als norm gaat hanteren, zijn deze keuzes niet neutraal. Hieronder werken wij dat per consultatievraag uit. Op één punt, het telcriterium, doen wij een voorzet voor aanpassing van de wettekst.

1. De veilige haven wordt in de praktijk de norm

De regering beoogt geen reflexwerking en stelt dat wie niet aan de haven voldoet, daarmee nog niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkt (MvT, p. 26). Het Beleidskompas gaat uit van een ander mechanisme, want volgens dat formulier moeten de criteria een prikkel geven om aan de toetsen te voldoen of anders voor een arbeidsovereenkomst te kiezen. Zo werkt het ook in de inkooppraktijk, zoals de ervaring met het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) laat zien.

Het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel VBAR is nooit wet geworden (MvT, p. 29). Toch namen opdrachtgevers en intermediairs, vanuit bedrijfseconomische noodzaak om fiscale inhuurrisico's te beheersen, de criteria uit het concept, met name organisatorische inbedding en inhoudelijke aansturing, binnen korte tijd op in hun beoordelingskaders. Na het einde van het handhavingsmoratorium sloten overheden en bedrijven zelfstandigen vervolgens categorisch uit. De toelichting noemt dat uitsluiten zelf onnodig en een grote bedreiging voor de bestaanszekerheid van veel zelfstandigen (MvT, p. 17).

In de juridische markt zagen wij dat opdrachten die voorheen door zelfstandige juristen werden uitgevoerd, van het ene op het andere moment voor zelfstandigen werden gesloten. Naar ons oordeel was er in die opdrachten geen aanleiding om aan te nemen dat zij niet zelfstandig konden worden uitgevoerd. De uitsluiting volgde uit het inkoopbeleid van de opdrachtgever zonder beoordeling van de opdracht zelf.

Opdrachtgevers en hun adviseurs bouwen hun beoordelingskaders op de wettekst. Wij vragen de regering daarom de passage van p. 26 in de wet zelf op te nemen, zodat de enkele omstandigheid dat niet aan het tweede lid is voldaan geen aanwijzing is dat de arbeid in dienst van een werkgever wordt verricht.

De Rijksoverheid is de grootste inhuurder van juristen en hanteert bij inhuur generieke regels in aanbestedingen en raamovereenkomsten, zonder individuele beoordeling van opdracht of persoon. Als de veilige haven daarin als toelatingseis wordt opgenomen, valt iedere zelfstandige die er niet aan voldoet buiten de inhuur, ook wanneer een individuele beoordeling tot een andere uitkomst zou leiden. Wij vragen de regering daarom in het inkoopbeleid, de inkoopvoorwaarden en de raamovereenkomsten van het Rijk vast te leggen dat het voldoen aan de veilige haven geen toelatingseis is en dat opdrachten die buiten de haven vallen per geval worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:610, eerste lid, BW.

2. Voorzieningen (consultatievraag 1)

Wij stellen voor het minimumbedrag bij invoering gelijk te stellen aan de jaarpremie van de basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen bij een winst ter hoogte van het wettelijk minimumloon plus € 700 en het daarna te indexeren zoals het voorgestelde derde lid voorschrijft. De toelichting legt zelf een verband met die basisverzekering (MvT, p. 63). Volgens de huidige raming van het kabinet bedraagt de premie 5,4 procent van de winst, met een maximum van € 171 bruto per maand bij een winst van ongeveer € 38.000. Bij een winst ter hoogte van het minimumloon komt dat neer op ongeveer € 1.440 per jaar. Samen komt het minimumbedrag daarmee op ongeveer € 2.140 per jaar.

Het tweede deel is de premie van een basispolis beroepsaansprakelijkheid voor een zelfstandige jurist. De toelichting noemt bedrijfs- en beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen zelf als voorziening (MvT, p. 36). Omdat de werkende het bedrag vrij mag besteden, kan wie in een ander beroep een goedkopere polis heeft het verschil aan een andere voorziening besteden. Zo is de verplichte basisverzekering alleen niet genoeg om aan het criterium te voldoen. Het bedrag dekt dan ook het aansprakelijkheidsrisico, dat voor zelfstandige adviseurs het meest kenmerkende risico is. Een zelfstandige die het bedrag aan een arbeidsongeschiktheidsverzekering en zijn bedrijfsverzekeringen besteedt, voldoet dan aan beide regelingen en behoudt de keuze die de toelichting hem laat om zonder pensioenproduct op een andere manier voor zijn oude dag te zorgen (MvT, p. 37).

De toelichting noemt het omgaan met perioden zonder opdrachten zelf als een van de risico's die het criterium moet afdekken (MvT, p. 36), maar de opsomming van voorzieningen bevat daarvoor geen enkele voorziening. Werknemers zijn daartegen verzekerd via de WW en veel zelfstandige juristen houden daarvoor een eigen reserve aan die hen ook in staat stelt een opdracht, een verlenging of een gewijzigde voorwaarde af te wijzen. De toelichting laat vrij vermogen niet meetellen als pensioenvoorziening, omdat niet vaststaat dat het voor het pensioen wordt gebruikt (MvT, p. 37). Bij een reserve tegen leegloop weegt dat bezwaar minder zwaar, want dat risico doet zich telkens opnieuw voor en een jaarlijkse toets stelt steeds opnieuw vast of de reserve er nog is.

Wij stellen voor dat een aantoonbare bedrijfsreserve meetelt voor het criterium. Bij een eenmanszaak blijkt die uit het ondernemingsvermogen in de aangifte inkomstenbelasting en bij een vennootschap uit het eigen vermogen in de jaarrekening.

Voor advocaten geldt op grond van de beroepsregels een verplichting tot permanente opleiding. Wij vragen de kosten van zulke verplichte opleidingen te laten meetellen voor het minimumbedrag, omdat zij het risico afdekken dat de werkende zijn beroep niet langer mag uitoefenen en daarmee zijn inkomen verliest.

Veel juristen en advocaten werken via een eigen besloten vennootschap, terwijl de wettekst spreekt van de persoon die de arbeid verricht en een minimumbedrag besteedt (onderdeel a.ii). Wij vragen te verduidelijken dat voorzieningen die de werkende via zijn eigen vennootschap treft meetellen, zodat een groep die goed voor haar risico's zorgt, vaak via reserves in de eigen vennootschap, niet buiten de haven valt vanwege de rechtsvorm van haar onderneming.

3. Werken voor of via derde partijen (consultatievraag 4)

Volgens de toelichting telt werk voor meerdere klanten als één opdrachtgever wanneer de zelfstandige zijn overeenkomst met de intermediair sluit en als meerdere opdrachtgevers wanneer de intermediair alleen bemiddelt (MvT, p. 35). Dat staat op gespannen voet met het uitgangspunt dat de zelfstandigentoets op de persoon van de werkende ziet en niet afhangt van de vraag of sprake is van een driehoeksrelatie, terwijl de uitkomst van het telcriterium daar volledig van afhangt (MvT, p. 61-62).

Het criterium beoogt onafhankelijkheid van één dominante opdrachtgever (MvT, p. 35). Bij de inhuur van juristen door de overheid en grote ondernemingen beslist de eindklant of de werkende de opdracht krijgt en of die wordt verlengd, want de eindklant selecteert op cv en gesprek en bepaalt de inhoud van het werk.

De intermediair wordt vaak door die eindklant voorgeschreven, door de overheid via aanbesteding en raamovereenkomst en door ondernemingen via een managed service provider. Een jurist die afzonderlijk door drie ministeries is geselecteerd, telt via één raamcontractant als één opdrachtgever en bij rechtstreekse contractering als drie, terwijl hij in beide gevallen hetzelfde werk doet en het verschil voortkomt uit het inkoopbeleid van de klant.

Wij stellen voor de tweedeling te vervangen door één maatstaf. Bij werk via een derde partij geldt als opdrachtgever degene voor wie de arbeid feitelijk wordt verricht, indien deze de werkende voor die opdracht heeft geselecteerd en beslist over voortzetting ervan.

Bepaalt de derde partij zelf bij welke klant en wanneer de werkende arbeid verricht, zoals een platform dat werk toewijst, dan geldt zij als één opdrachtgever. Om te voorkomen dat afhankelijkheid van de intermediair wordt verhuld, telt werk via dezelfde derde partij binnen de referteperiode voor ten hoogste twee opdrachtgevers, ook als meer eindklanten de werkende hebben geselecteerd.

Deze maatstaf is even goed toetsbaar als een factuur, omdat de eindklant bij inhuur via een raamcontractant of managed service provider (MSP) de selectie van de persoon vastlegt in de inhuuraanvraag en de inzetbevestiging.

Dit punt raakt ook WeLegal zelf, dat onder raamovereenkomsten met de Rijksoverheid als opdrachtnemer optreedt, en de bemiddelaar binnen onze groep. Wij brengen het in omdat de gevolgen bij de werkende landen, want wie als jurist voor de overheid of voor grote ondernemingen wil werken, kan niet om de raamcontractant of MSP heen.

4. Het telcriterium (art. 7:610 lid 2 onder a.i)

Wij onderschrijven dat een zelfstandige niet afhankelijk moet zijn van één opdrachtgever. Het tellen van opdrachtgevers meet dat slecht, omdat de eis van volwaardige opdrachtgevers alleen in de toelichting staat (MvT, p. 35) en een open norm brengt in een criterium dat hard bedoeld is.

Wie het grootste deel van zijn omzet bij één klant haalt en ernaast twee kleinere opdrachten doet, kan aan het criterium voldoen, terwijl een jurist die opeenvolgend voor verschillende klanten werkt in een gegeven meetperiode tekort kan komen.

De toelichting noemt als kenmerk van zelfstandigen dat zij specialistische diensten aanbieden, soms op een kleine markt waar zelfstandig werken vanwege de beperkte vraag de best passende vorm kan zijn (MvT, p. 6). Een specialist op een kleine markt heeft weinig opdrachtgevers. Daardoor maakt het telcriterium de haven het moeilijkst bereikbaar voor precies het type zelfstandige dat de regering in haar eigen toelichting als voorbeeld noemt.

Volgens de toelichting voldoet wie één grote, langer durende opdracht heeft meestal niet aan het telcriterium. De regering vindt dat terecht, omdat een lange duur en een grote omvang in de rechtspraak wijzen op een arbeidsovereenkomst (MvT, p. 35). De regering meet de duur dus indirect, via het aantal opdrachtgevers. Wij stellen voor de duur rechtstreeks te meten, met een maximum aan de tijd dat iemand voor één opdrachtgever werkt. Daarmee sluiten wij aan bij het eerste gezichtspunt uit Deliveroo, de aard en de duur van de werkzaamheden.

Als grens kiezen wij 36 maanden. Dat is de termijn waarna opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten volgens de ketenregeling van artikel 7:668a BW overgaan in een vaste. Die regeling gaat over werknemers en niet over zelfstandigheid. Wij sluiten erbij aan omdat zij de bestaande wettelijke grens is voor het moment waarop de wetgever een arbeidsrelatie als duurzaam beschouwt.

Volgens de toelichting vergroot een klein aantal opdrachtgevers de afhankelijkheid, met een beperkte onderhandelingsmacht als gevolg, vooral bij opdrachten van langere duur (MvT, p. 11). Ons inziens wijst afhankelijkheid pas op werken in dienst van een ander wanneer zij de werkende ertoe brengt te doen wat hij als vrije ondernemer niet zou doen. Dat hangt af van zijn onderhandelingsmacht en van de duur van de relatie.

Afhankelijkheid van één opdrachtgever betekent niet vanzelf een beperkte onderhandelingsmacht. Wie een reserve heeft waarmee hij het wegvallen van die opdrachtgever kan opvangen, kan diens voorwaarden afwijzen, ook als die opdrachtgever het grootste deel van zijn omzet levert. Daarom stellen wij onder 2 voor zo'n reserve als voorziening te laten meetellen.

Onderhandelingsmacht en duur zijn rechtstreeks vast te stellen. De duur blijkt uit de overeenkomsten en de onderhandelingsmacht uit het tarief dat de werkende bedingt, in combinatie met ten minste één andere opdrachtgever.

Dit is het enige punt waarvoor wij een eigen wettekst voorstellen, omdat het om een alternatief voor een wettelijk criterium gaat en de uitvoerbaarheid daarvan het best uit de tekst zelf blijkt. Wij stellen voor onderdeel a.i als volgt te laten luiden en een lid met een definitie toe te voegen:

Onderdeel a.i:

"i. in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het lopende jaar:

1°. voor minimaal drie natuurlijke personen of rechtspersonen anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid heeft verricht; dan wel

2°. voor minimaal twee van zulke personen arbeid heeft verricht tegen een gemiddeld uurtarief, exclusief omzetbelasting, van ten minste 2,5 maal het referentie-uurloon, mits de arbeid voor geen van hen tot het moment van toetsing langer dan 36 maanden heeft geduurd;"

Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, luidende:

"Onder referentie-uurloon wordt in het tweede lid, onderdeel a, onder i, verstaan: het mediane bruto uurloon van werknemers in de beroepsgroep waartoe de verrichte arbeid behoort, zoals jaarlijks bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bij de berekening van de duur, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder i, 2°, tellen onderbrekingen van ten hoogste zes maanden mee."

De eerste route verlengt alleen de referteperiode en neemt zo de willekeur van het meetmoment weg, zonder enige koppeling aan inkomen. De tweede route verlaagt de telling naar twee opdrachtgevers voor degene die een tarief ruim boven de loonkosten van een werknemer in dezelfde beroepsgroep bedingt en niet langer dan de wettelijke ketenduur bij één opdrachtgever werkt, zodat geen van de drie voorwaarden afzonderlijk hoeft te bewijzen dat iemand onafhankelijk is.

Wij koppelen het tarief aan het mediane bruto uurloon van werknemers in dezelfde beroepsgroep, dat het CBS jaarlijks per beroep publiceert (tabel Werknemers; uurloon en beroep). Een vast bedrag dat voor alle beroepen gelijk is, ligt voor hoogopgeleide professionals dicht bij de loonkosten van een werknemer en is voor veel andere beroepen onhaalbaar, waardoor de route in de praktijk alleen voor hogere inkomens zou openstaan.

Met een factor van 2,5 ligt het tarief ook na een opslag voor werkgeverslasten ruim boven de loonkosten van een mediane werknemer in dezelfde beroepsgroep. Een opdrachtgever die zo'n tarief betaalt, bespaart geen werkgeverslasten, zodat het risico op concurrentie op arbeidsvoorwaarden dat de toelichting beschrijft (MvT, p. 11) bij deze werkenden niet speelt.

In ons voorstel is het tarief één van drie aanwijzingen voor onafhankelijkheid. De hoogte van de beloning is een gezichtspunt uit Deliveroo. Volgens Uber telt extern ondernemerschap op dezelfde wijze mee als de overige gezichtspunten (MvT, p. 10).

Ook een goed betaalde werkende kan onder gezag werken. Het Europese recht laat een tarief als enig criterium ook niet toe (MvT, p. 29). Daarom blijven de overige criteria van de zelfstandigentoets en de volledige werkrelatietoets gelden, zodat steeds wordt getoetst of de werkende in de opdracht zelf vrij is.

De veilige haven wordt vooraf getoetst aan wat partijen afspreken, maar of de werkende in de uitvoering ook werkelijk vrij was, blijkt pas achteraf. Wij vragen de regering daarom in de toelichting bij onderdeel b.ii te benoemen welke feiten erop wijzen dat de afgesproken vrijheid in de praktijk niet bestond, zoals een eenzijdige wijziging van tarief of voorwaarden door de opdrachtgever, nadeel of sancties wanneer de werkende werk weigert en een opgelegde werkwijze buiten de afgesproken scope.

5. Mandaat (consultatievraag 5)

Juristen bij de overheid ondertekenen besluiten vaak in mandaat, waarbij de mandaatgever instructies kan geven en inlichtingen kan verlangen (art. 10:6 Awb). Die bevoegdheden volgen uit het publiekrecht en gelden voor iedere gemandateerde, ook voor wie niet onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever werkt (art. 10:4 Awb). Naar ons oordeel zijn zij geen werkgeversgezag.

Wij vragen de regering in de toelichting bij onderdeel b.ii te verduidelijken dat publiekrechtelijke mandaatregels op zichzelf niet afdoen aan de vrijheid om de arbeid vorm te geven, zolang de werkende in de overige uitvoering vrij is.

6. Eigen rekening en risico (consultatievraag 6)

Vraag 6a. Het criterium en de toelichting

Het wetsartikel zegt niets over de berekening van de vergoeding, maar volgens de toelichting is in ieder geval niet aan het criterium voldaan als de vergoeding uitsluitend op gewerkte uren is gebaseerd (MvT, p. 55). Daarmee wordt de wijze van beloning, in Deliveroo één van negen gezichtspunten waartussen op voorhand geen rangorde bestaat (MvT, p. 25-26), via de toelichting een zelfstandige uitsluitingsgrond die op voorhand bepaalt dat een hele beloningsvorm met werken voor eigen rekening en risico onverenigbaar is.

In juridisch werk (en in veel andere adviserende beroepen) is vergoeding per uur de standaard. Uit de opdrachtenadministratie van WeLegal blijkt dat van alle interim- en andere opdrachten die sinds 2006 via het netwerk tot stand kwamen, minder dan 1 procent een vaste prijs had en geen enkele een resultaatafhankelijke beloning.

Hoeveel uren een opdracht vraagt, wordt in adviserend werk bepaald door de vraag van de cliënt, net als bij een advocatenkantoor of adviesbureau. Dat zegt niets over de vraag wie het ondernemersrisico draagt. Het ondernemersrisico van een professional zit in de prijs die hij zelf in de markt moet bedingen, in de kans dat de opdrachtgever de opdracht beëindigt, wat hij als hoofdregel op elk moment kan doen (art. 7:408 BW), of bij ontevredenheid de betaling betwist of inhoudt, in de tijd tussen opdrachten zonder inkomsten en in de aansprakelijkheid voor zijn werk.Tegen die risico's wordt een werknemer beschermd door ontslagbescherming, loondoorbetaling, de WW en artikel 7:661 BW.

De huidige formulering kan ertoe leiden dat partijen vaste bedragen per maand afspreken die feitelijk een uurtarief zijn. De toelichting wijst die constructie af, maar de markt zal haar beproeven en dat vermindert de duidelijkheid die de wet beoogt.

Het voorbeeld dat de toelichting bij deze regel geeft, is een zorgmedewerker die zes weken veertig uur per week wordt ingehuurd (MvT, p. 56). De regel is dus geschreven voor kwetsbare werkenden, maar belemmert ongewijzigd ook het ondernemerschap van de professional die zijn tarief zelf in de markt bedingt en geen bescherming tegen schijnzelfstandigheid nodig heeft.

Wij vragen de regering de zin op p. 55 over vergoeding uitsluitend op basis van gewerkte uren te schrappen en in de toelichting te erkennen dat de baten en risico's van een professional ook liggen in de punten die hierboven zijn genoemd, die wij onder 6b als indicatoren uitwerken.

Vraag 6b. Ontbrekende indicatoren

Wij vragen de regering in de toelichting de risico's op te nemen die een zelfstandige professional werkelijk draagt, toetsbaar aan de hand van de overeenkomst, de facturen en de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Het gaat om een opdracht die als hoofdregel op elk moment kan worden beëindigd zonder vergoeding en zonder of met een korte opzegtermijn, beduidend korter dan bij een arbeidsovereenkomst, het risico dat de opdrachtgever bij ontevredenheid de betaling betwist of inhoudt, het ontbreken van inkomen tussen opdrachten, het herstel van fouten voor eigen rekening en volledige aansprakelijkheid voor het eigen werk.

Voor afgebakende opdrachten met een vooraf overeengekomen resultaat komt daar een vergoeding per uur binnen een plafond bij, waarbij de werkende de uren boven het plafond zelf draagt en meerwerk op verzoek van de opdrachtgever gewoon wordt vergoed, wat de toelichting al aanvaardt (MvT, p. 55-56).

7. De telperiode

De wettekst spreekt van de periode tot en met vorig kalenderjaar. Volgens de artikelsgewijze toelichting omvat die periode het vorige kalenderjaar en het lopende jaar tot het toetsmoment (MvT, p. 82). Naar de gewone betekenis van de woorden valt het lopende jaar er juist buiten en noemt de tekst geen begindatum. Voor een hard criterium moet de wettekst zelf zeggen welke periode telt. Ons voorstel onder 4 doet dat door uit te gaan van de drie kalenderjaren voorafgaand aan het lopende jaar. Wij kiezen bewust voor afgesloten kalenderjaren, omdat het aantal opdrachtgevers daarover vast te stellen is aan de hand van facturen, jaarrekening en aangifte, terwijl het lopende jaar nog niet is afgesloten.

Wij zijn graag bereid onze ervaring met de inhuur van juridische professionals bij overheid, bedrijfsleven en advocatuur nader toe te lichten.

Contactpersoon: Marijn Rooijmans, oprichter en bestuurder van WeLegal Network, marijn@welegal.nl.

Volgende
Volgende

Blog: Nieuwe organisatiestructuren? Interessant!